photography
Pearl-spotted Owlet (Glaucidium perlatum) Greyish Eagle Owl / Grijze oehoe (Bubo africanus cinerascens)
mrt 26
afbeelding van Koen Wellens

Strigiformes

Strigiformes

Uilen zijn een orde van vogels met veelal een nachtelijke leefwijze vandaar dat men ze ook wel nachtroofvogels noemt.

Het zijn uitstekende jagers omdat ze de volgende eigenschappen bezitten; 

*de ogen staan voorin de kop, zodat ze een groot gezichtsveld hebben, waarin ze diepte kunnen zien.

*goed ontwikkelde oren, die ver uit elkaar staan, wat ze goed in staat stelt de richting vast te stellen waaruit een geluid komt.

De orde Stigiformes wordt onderverdeeld in de twee families Kerkuilen en (Tytonidae)Uilen (Strigidae).

Uilen hebben een rond, afgeplat gezicht met grote naar voren gerichte ogen die vast in de schedel staan. Om in diverse richtingen te kunnen kijken moet een uil dus steeds de kop draaien, wat ze dan ook zeer goed kunnen. De grote ogen maken het mogelijk ook in het donker goed te zien. Uilen hebben een haaksnavel en krachtige klauwen aan hun poten, die vaak dicht bevederd zijn. Aan de voorrand van de handpennen van de vleugel dragen uilen een donsachtige franje, wat de vleugel in vlucht bijzonder geruisloos maakt. Ze kunnen daardoor vrijwel onopgemerkt op zoek gaan naar prooidieren, zoals muizen, en deze bij verrassing pakken.

Uilen hebben een bijzonder goed gehoor. Ze zijn in staat om bij complete duisternis hun prooi te vinden. In een experiment wisten ze in 13 van de 17 gevallen een muis te vangen die in een compleet donkere kamer was losgelaten.

Oren

De oren van uilen bestaan uit een ooropening, die bij sommige soorten bedekt is met een oordeksel (operculum). De oren moeten niet verward worden met de oorpluimen die uilen zoals de ransuilhebben: oorpluimen worden door veren gevormd en zitten ook niet op de plaats waar de ooropeningen zitten.

De oorpluimen geven de status aan: een volwassen, sterke, gezonde uil met een groot territorium bezit grote oorpluimen. Jonge, zwakke, zieke of oude exemplaren bezitten kleinere oorpluimen.

Bij een aantal geslachten van de uilen is er sprake van asymmetrie in de ooropeningen. 

De asymmetrie van de oren bij uilen bestaat eruit dat de ooropeningen links en rechts niet op dezelfde hoogte zitten. Ook de vorm van de ooropening (in de huid, maar ook in de schedel) en van het oordeksel kan links en rechts verschillen.

De functie van de asymmetrische oren is een betere bepaling van de verticale richting waar geluiden vandaan komen. Het mechanisme werkt vergelijkbaar met de horizontale plaatsbepaling: geluiden uit een bepaalde richting komen iets eerder aan bij het ene oor. Uilen kunnen een verschil tot 30 microseconden in aankomsttijd tussen beide oren waarnemen (een microseconde is een miljoenste seconde).

Om de informatie te verwerken is het deel van de hersenen dat met horen in verband staat bij uilen veel groter dan bij andere vogels. Uilen vormen een plattegrond van de omgeving op basis van geluidsinformatie, zoals mensen dat doen met visuele informatie. Uilen hebben een gebied in de middenhersenen met ongeveer 10.000 neuronen dat net zo georganiseerd is als de visuele cortex.

De activiteit van de neuronen in dat gebied is geassocieerd met geluid uit een specifieke richting.

Dieren met verticaal symmetrisch geplaatste oren zijn soms ook zeer goed in staat zijn om de bron van een geluid te bepalen, ook verticaal. Ze gebruiken dan echter een volstrekt ander mechanisme voor verticale plaatsbepaling.

 

Uilen zijn vrijwel de enige groep dieren waarbij asymmetrisch geplaatste oren zijn gevonden. Omdat de asymmetrie bij verschillende geslachten zo verschilt, gaan onderzoekers ervan uit dat deze asymmetrie in de verschillende geslachten onafhankelijk van elkaar is geëvolueerd.

Er zijn uilen met symmetrisch geplaatste oren deze vogels vliegen  niet graag in complete duisternis.

Uilen met asymmetrische oren hebben daar geen problemen mee.

Asymmetrische oren komen voor bij alle soorten van de geslachten Asioen Tyto en bij enkele soorten van onder meer de geslachten Aegolius, Bubo en Strix.

De asymmetrie bij de verschillende groepen is echter zodanig verschillend dat wordt aangenomen dat het in elke groep onafhankelijk is ontstaan.

Ogen 

Een uil heeft dankzij zijn grote ogen een uitstekend verzicht, ook 's nachts doch dichtbij kan hij niet scherp zien.

De ogen van een uil staan altijd recht naar voren gericht en kunnen niet draaien, dit komt door de grootte van de ogen waardoor er geen ruimte over is in zijn schedel voor spieren die de ogen moeten laten bewegen.

Door de 14 nwervels in zijn nek kan de uil zijn kop in totaal 270° roteren en ook ondersteboven draaien. 

Uilen hebben veel minder licht nodig om goed te kunnen zien, dat komt doordat ze een reflecterende laag achter hun netvlies hebben. Als er dan licht op het netvlies van de uil komt stuurt de reflecterende laag het licht terug, daardoor geven de ogen van een uil een beetje licht, en daardoor kan hij dan in de nacht veel beter zien.

Klauwen

Een uil heeft twee klauwen naar voor gericht en twee klauwen naar achter gericht, waar andere roofvogels drie klauwen naar voor en één klauw naar achter bezitten. Omdat de uil kortbij slecht ziet, localiseert hij zijn prooi van ver, vliegt aan en graait dan met beide poten tegelijk. Hij pikt met zijn snavel de ogen van de prooi uit. Hij doodt de prooi door met zijn klauwen krachtig te knijpen, tot hij geen hartslag meer voelt. Pas dan verscheurt hij de prooi met zijn bek. Om jongen te voederen snijdt hij met een speciale klauw kleine stukjes af.

Nestelen en broeden

Uilen nestelen in een holle boom, op de grond of in gebouwen. Vaak bouwen ze niet zelf een nest maar nemen dat over van een andere vogel zoals een ekster, die ze verjagen of doden. Uilen besteden niet veel tijd aan het maken van hun nest. De eieren van uilen zijn rond, zodra het vrouwtje haar eerste eitje heeft gelegd, begint ze met broeden.

Tijdens het broeden legt ze andere eieren, het eerst gelegde ei komt als eerste uit en het laatst gelegde ei het laatste. Het verschil in grootte is dan ook goed te zien tussen de eerste en het laatste jong. De uiltjes zijn in het begin bedekt met een laagje dons. Als de uiltjes nog in het nest zitten gaan ze in de rui. Na een paar weken krijgt het uiltje echte veren. Ze kunnen dan alleen nog niet vliegen.

Het jong dat het meeste bedelt en het verst zijn bekje opendoet krijgt het meeste eten. Daarom gebeurt het wel eens dat het kleinste en zwakste jong omkomt van de honger. Het kan ook gebeuren dat er te weinig voedsel is en dat een van de jongen wordt opgegeten.

Braakballen

Een paar uur na het innemen van voedsel spuugt de uil een braakbal uit. Dezel zit vol met onverteerbare delen als beenderen, haar en pluimen. Deze braakbal is meestal rond tot ovaal van vorm.

Om het dieet van de uil te achterhalen worden vaak de braakballen uitgepluisd en aan de hand van deze botjes en haren vind men zijn prooi.

 

Veren

Een kenmerk van deze nachtvogels is dat de van dons voorziene veren praktisch geen geluid maken tijdens het vliegen. Andere roofvogels maken wel geluid als ze hun veren bewegen. Bij de meeste vogels treedt bij het vliegen turbulentie op in de luchtstroom langs de vleugels, wat veel geruis kan opleveren. Bij uilen is dat in veel mindere mate het geval. De franjes aan de voorzijde van de buitenste slagpennen breken de geluidsgolven die ontstaan als er tijdens de neerwaartse beweging lucht langs de bovenkant van de vleugel stroomt. De donsveren elders op het lichaam van de uil absorberen veel het resterende geluid.

Een ander kenmerk is dat de meeste uilen een mengeling van bruine, zwarte, witte, en grijze veren hebben. Die kleuren bieden camouflage, en daarom kunnen uilen zich gemakkelijk verbergen. In een bos zijn uilen die in een boom zitten bijna niet zichtbaar.

Skelet

Een uilenskelet is gemaakt om mee te lopen en te vliegen. Het skelet van een uil is erg licht, maar toch heel stevig gebouwd. Bij uilen maakt het gewicht van het skelet maar 7 tot 9% uit van het totale gewicht.

Bij uilen zijn veel botten met elkaar vergroeid; dat maakt de uil sterk genoeg om zijn eigen gewicht te dragen. Sommige grote botten zijn hol en hebben botachtige versterking van binnen. Dat zorgt ervoor dat het skelet licht blijft.

Het grote platte borstbeen van de uil ondersteunt de grote vleugelspieren. Het borstbeen beschermt ook het hart, de longen en de andere organen.

De vleugelbotten zijn lang en het vleugeldeel dat daarbij hoort is erg breed, dat zorgt ervoor dat de vleugel laag belast is. Daardoor gaat het vliegen erg gemakkelijk, zelfs als de uil een prooi meedraagt.

De voetbotten zijn kort en stevig, dat is waarschijnlijk om te helpen bij het doden van een prooi.

 

 

afbeelding van Koen Wellens
About the Author:

Related Works


Leave a comment!

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.